NPO Radio 1

Zondag van 7 uur tot 10 uur

NPO2

Vrijdag om 19.35 uur

  • Maria Heiden: Zien is kennen

    zieniskennen.jpg

    In 1953 kreeg mijn vader voor zijn verjaardag de vijfde druk van Zien is kennen. Het zakdetermineerboek voor alle in Nederland voorkomende vogels.
    Het boek was voor ons kinderen het hoogtepunt van de dag. Eindeloos zaten we naar de getekende vogels te kijken. De namen zeiden ons niets. De buitenkant des te meer. Want aan het boek zat een klein leren riempje met een drukker waarmee je het boek open en dicht kon doen.

    Wat ik me vooral kan herinneren is het woord verenkleed. ‘Wat is dat vroegen wij aan mijn vader. Hij wees naar het vloerkleed op de grond. Zoiets, maar dan van veren. Ons kleed kreeg daardoor voor mij een bijzondere betekenis.

    Wij woonden in een dorpje aan de Maas.Vlakbij Rotterdam. Een beneden- en bovendijk, vijf straten en dan een eindeloze polder. Een polder waar ik vier vogels goed leerde kennen want mijn vader was jager. Als ze eenmaal bruin, krokant en onherkenbaar op zondag op een schaal lagen, zei mijn vader dit is nou een fazant, of een patrijs, of een eend, of een taling. Standaardgrap was als mijn vader vroeg, willen jullie een voorpoot of een achterpoot.
    Ooit at er een boer mee, die met zijn achternaam de Lijster heette. Dat is nou een lijster, zei mijn vader. Wij keken meteen anders naar hem.

    Ik weet dus niet zo veel van vogels, behalve van de schrijfster Frieda Vogels, omdat ik later in de boekhandel ging werken. Een andere titel waar een vogel in voorkwam was,  Een vlucht regenwulpen, van Maarten ’t Hart, dat mijn melige
    collega’s en ik altijd anders noemden. We zeiden dan: Van De geur van negergulpen’ hebben we er vandaag zeventien verkocht. Wel fluisterend, want de baas mocht dit absoluut niet horen.

    Maar eindelijk, ik heb nu toch een favoriete vogel. En dat is de ekster.

    Enkele maanden geleden moest ik gedwongen een tijd op bed liggen met een geopereerde knie. Ik woon in het hart van de stad Rotterdam. Aan de achterkant van het huis is er ooit uit een tegel een dun bibberig heel lang berkje ontstaan. De bovenkant ervan komt uit bij mijn raam tweehoog. Op een van die dagen zag ik daar een prachtige film. Twee eksters begonnen een nest te bouwen, en wat voor een nest, het was een hele vinexwijk. Ze sleepten zo ongeveer alles af en aan, takken, twijgen, een plastic zakje, een touwtje, een lapje, weer takken,
    Een stuk aardappel, weer twijgen. Sierlijk gleden zij van boven naar beneden. Harde werkers. Ik was gefascineerd.
    Ik hinkte naar het raam en gooide een klit haar naar buiten. Jawel hoor. Terwijl het haar naar beneden zweefde greep een van de bouwvakkers het en werd het toegevoegd aan de biljartkamer, of de bijkeuken of de jacuzzi.
    Andere bouwvakkers kwamen kijken. Ze zaten allemaal op die dunne berkentakjes en hadden veel commentaar.
    Ik was verkocht. Nu kon ik met de vogelaars meepraten. Maar die lachten mij uit. Een ekster is geen leuke vogel. Ze stelen eieren zelfs van de derde leg van andere vogels, ze maken geen mooi geluid. Ze zijn hinderlijk, pikken alles, maken kleine vogels dood en ga zo maar door. Ik bracht hun zilverblauwe verenkleed nog in, en dat het hele goeie ijverige bouwvakkers zijn. Maar ik werd alleen meewarig aangekeken.

    Geplaatst in: Column