NPO Radio 1

Zondag van 7 uur tot 10 uur

NPO2

Vrijdag om 19.35 uur

  • Column Nathalie Baartman: De fiets

    Nathalie Baartman
    fotograaf: Henny Radstaak

    Ja, ik heb een elektrische fiets. En als ik me voortbeweeg op deze tweewieler met orthopedische trapondersteuning, sijpelt elk ongetemd verlangen uit me en voel ik me alsof ik vervroegd met pension mocht. Maar de school van mijn dochter is dusdanig ver weg dat de auto vervaarlijk lonkt. En aangezien mijn nieuwe levensmotto luidt: Stoot klanken uit in plaats van CO2, zing ik ’s ochtends liever luidkeels allerhande verkwikkende liederen op trapstandje turbo de buitenlucht in, dan dat ik mekker in de file. Tot zover mijn ideaal.

    In de praktijk blijkt helaas dat het gebruik van de elektrische fiets niet opgewassen is tegen het comfort van mijn stalen rijtuig. Deze laatste is immers gauw gegrepen en discipline is een dingetje. Ondanks de lijst van mooie woorden: ‘Begin de dag met yoghurt en een fietstocht’ giet ik meestal koffie achterover en scheur ik de weg op. Tja. In ieder mens schuilt een Erik Wiebes inzake Groningen. Met voornemens in overvloed, wordt het toch hoogtijd dat hij verdomme wat doet. Impasse dus.
    Maar de zojuist aangebroken ochtend is zo laaiend enthousiast van zonneschijn dat kiezen voor een gaspedaal bijna misdadig zou zijn. En zo lukt het me om door de gemakzucht te breken en even later met kind en krentenbol in hoog tempo door het groene, ontwakende landschap te schieten.
    Jeehoe. Als een lichtend voorbeeld vlieg ik de file voorbij. Messias versus CO2-stakkers. Het autoloze pad in voor de toeristische route en daar klinken de vogels, hangen de verre luchten, zet het bescheiden ochtendlicht de weilanden in goud en glinster.

    Het is me gelukt. De fossiele verslaving is getemd. Ik voel me een alcoholist die na een lange periode van ellende eindelijk aan de appelsap zit.
    In de verte fietst een zielverwant. Een man op een tourfiets. Ik haal‘m in. Met lichte gemotoriseerde schaamte dat wel. ’Sorry,’ zeg ik, ‘ik ben elektrisch aangestuurd.’ ‘Oh, dat geeft niks’, zegt de man en zet een tandje bij, waardoor we exact hetzelfde tempo hebben en overgeleverd worden aan een gezamenlijk ritje. De man blijkt een fietsende forens. Geen forensische fietser overigens. Dat is wat anders. Elke dag vijfentwintig kilometer heen. Hij is een uitzondering op z’n werk. Mensen die ‘m voor gek verklaren, of heilig, zoals ik. Elke dag?!

    ‘Ach ja.’ Voor hem geen heldendom, maar een vanzelfsprekendheid. Z’n verklaring is eenvoudig: ‘Ik kom van de boer.’ Dat is Twents voor: ik heb een agrarische jeugd genoten.
    Het hooi dat hij binnenhaalde met z’n vader. ‘Ik heb kalfjes, biggetjes, konijnen, veulens, ik heb het allemaal van dichtbij geboren zien worden. En over de jonge kraaien vertelt hij, die hij vlak voordat ze uitvlogen, in hokjes zette om tam te maken. Ik denk aan m’n vader die vroeger een tamme kraai als kameraad op z’n schouder mee naar school nam. Tot de dag dat z’n jongere broer de kraai zwemles gaf. ‘De kraai zwemt niet meer!’ Een gevleugelde uitspraak in de familie.

    Terwijl de eikenbomen aan ons voorbijtrekken, vertelt de man. Z’n woorden doen me de verdwenen rogge wederom zien wuiven. En dan begint m’n dochter tot overmaat van geluk ook nog te zingen: ‘Alle vogels, allemaal, alle vogels, alle.’ Het is nog maar tien over acht en de dag is volmaakt.
    ‘Ik moet hier zo naar rechts,’ zeg ik.
    ‘Ooh, ik rechtdoor.’
    ‘Waar werk je dan?’
    ‘Bij de belastingdienst,’ antwoordt de man.

    Dat is dan weer jammer.

    Geplaatst in: Column

Media