NPO Radio 1

Zondag van 7 uur tot 10 uur

NPO2

Vrijdag om 19.35 uur

  • Onno Blom: Varkensliefde

    onno_blom_05.jpg

    Als het schrijven niet meer gaat, dan moet ik naar buiten. Sterker nog: al vóór het schrijven niet meer gaat, moet ik naar buiten. Elke wandeling levert een pagina op, elk pad een zin, elke stap een woord.

    Ik weet dat allemaal – en toch moet ik me er altijd toe dwingen om naar buiten te gaan. Omdat ik dezer weken onder hoge druk een boek aan het schrijven ben, ben ik geneigd om achter mijn laptop te blijven zitten. Als ik nú een uur vertrek, mis ik de woorden die ik anders zou schrijven.

    Tenminste, dat denk ik dan.
    Het irriteert me ook dat het nodig is, al die omtrekkende bewegingen in de ruimte. Deadline, deadline, bonkt het in mijn hoofd. Waarom schrijf ik niet gewoon even op wat ik te zeggen heb? W.F. Hermans zei het al: inspiratie, dat is om negen uur achter je bureau gaan zitten. En blijven zitten tot het er staat.

    Ik ben het met Hermans eens – dat gezeik over inspiratie ook, schrijven is een ambacht – maar toch werkt het niet zo.
    ‘Wandelen is het beste medicijn,’ heeft Hippocrates gezegd en ik moet de oude filosoof gelijk geven: het bloed gaat stromen en de frisse lucht voert zuurstof naar de hersenen.
    Bovendien maakt de confrontatie met de natuur iets in je los, waar je geketend aan je scherm niet bij kan komen. Dat heb ik als stadsjongen van Jan Wolkers geleerd, toen ik zijn biografie schreef. Voor hem vertegenwoordigde de natuur de vrijheid. Dat was zijn toevluchtsoord en inspiratiebron.

    Als Jan als jongen de benauwenis van het grote gereformeerde gezin waarin hij opgroeide, de harde hand van zijn vader en de Gesel Gods wilde ontvluchten, ging hij de natuur in. Hij rende – letterlijk – door de weilanden en de bossen om zijn geboortedorp Oegstgeest. Toen Wolkers eenmaal schrijver was, ging hij elke dag wandelen. Tot zijn laatste dag scharrelde hij om de poel in zijn tuin.

    De natuur leverde hem van jongs af aan óók nog eens kunst op. Het landschap kroop in zijn verhalen en gedichten en hij maakte en plein air stapels tekeningen van bomen, planten en dieren. Kamperfoelie in kriebelige inktlijntjes, haantjes in losse penseelstreken. Misschien wel de mooiste tekening was van een varkentje, in rood krijt.

    Aan die tekening moest ik aan denken toen ik mij laatst, verlamd door deadlinestress, van mijn toetsenbord had losgescheurd en midden op de dag met een vriend was gaan wandelen in de polder net buiten de wijk waar wij wonen. Ook mijn wandelvriend groeide op in Leiden. Hij is ook een echte stadsjongen, maar oogt toch meer als een gezonde, blonde Hollandse jongen. Type ‘de paden op, de lanen in’.

    Halverwege de wandeling stopten we bij een koffiehuis in de polder. Om het koffiehuis is een groot erf waar allemaal dieren rondscharrelen: kalkoenen, kippen, parelhoenders, ezels, paarden. Sinds kort zijn er ook drie ruwharige biggetjes. Een is wit, één gevlekt en één ginger – dat is mijn favoriet, hij heeft de kleur van rood krijt.

    Daar stonden we dan: twee ouwe jongens van rond de vijftig uit de stad, bedelend om de aandacht van drie in de modder wroetende en wentelende beestjes. We sloegen tegen het houten hek om ze naar ons toe te laten hobbelen. We smeekten ze om hun bonkige koppies in onze handen te leggen, en hun natte, ronde snoet met die gekke stekker erin tegen ons aan te duwen – en dat deden ze.
    En toen begon mijn vriend, geloof het of niet, heel overtuigend te knorren. Hij sprak de taal der varkens.

    Wij begrepen de biggen, en zij begrepen ons.
    En toen ik thuiskwam na onze wandeling, schreef ik deze column in één keer op.


    Wie herkent de stem van de vriend van Onno Blom die zo goed een varkentje na kan doen?

    Geplaatst in: Column

Meer in Column